Steenbakkerij

Wat vooraf ging

Voordat de mens bestond, miljoenen jaren geleden, vormde zich aan de oever van de Rupel een dikke kleilaag. De baksteennijverheid werd in de dertiende eeuw ingevoerd door de paters van de abdij in Hemiksem. Zij bouwden hun abdij met zelfgemaakte bakstenen. Maar de grote doorbraak van de baksteenindustrie kwam er na de brand van de stad Antwerpen in 1546. De mensen wilden vanaf dan onbrandbare stenen voor hun huizen in plaats van houten huizen. Rond 1900 werkten zo’n 6000 mensen in wel 160 steenbakkerijen in onze Rupelstreek.


De abdij van Hemiksem bestaat nu nog altijd.

In mijn spreekbeurt ga ik het niet teveel hebben over de technische kant van het ‘maken van baksteen’. Ik wil het vooral hebben over hoe de mensen toen leefden, werkten, woonden en over de kinderarbeid.

Uitbuiting

Rond de jaren 1900 waren de steenbakkerijen berucht om hun uitbuiting. De arbeiders verdienden weinig en op de koop toe waren ze verplicht om hun voeding in de winkels van hun bazen te kopen. Men noemde die winkels dan ook de “banwinkels”. Zelfs de huisjes van de arbeiders waren eigendom van de grote bazen. Dus het loon van de arbeiders kwam onrechtstreeks terug in het bezit van de fabriekseigenaars.
In de winter lagen de steenbakkerijen stil omdat het gewoonweg te koud was. Dan waren de arbeiders werkloos en hadden ze geen loon om eten te kopen. Ze waren dan wel verplicht om bij hun bazen geld te lenen. Tijdens de zomermaanden werd dan getracht die schulden terug te betalen door erg hard te werken en heel lang te werken. Dikwijls werkten ze 15 uren per dag. Van 04u00 ’s morgens tot 21u00 ’s avonds. Een werkweek duurde van maandagochtend tot zaterdagavond. En op zondagvoormiddag ging men nog gauw wat “gammen”. Dit is de stenen onder droogloodsen stapelen om ze te laten drogen voor ze gebakken worden. Deze droogloodsen waren langwerpige gebouwen. Zie foto. Kleine foto is een gerestaureerde ringoven.

Alle leden van het gezin, ook de kinderen die vaak niet eens 7 jaar oud waren, moesten mee aan het werk. Bovendien woonden deze arbeiders in armzalige huisjes die ook van de steenbakkersbazen waren. Ze waren dus echt wel met handen en voeten gebonden aan hun bazen. Ze werkten vaak voor een hongerloon. Wie lastig was of protesteerde, werd ontslagen. Dat betekende meestal geen loon. Op de andere steenbakkerijen werd je als een herrieschopper aanzien. Dus ander gelijkaardig werk zoeken werd je onmogelijk gemaakt.
Op 9 april 1894 brak er een eerste spontane staking uit (dit was uitzonderlijk in die tijd). Later zouden er nog veel stakingen volgen. Vele arbeiders sloten zich later aan bij de socialistische vakbond. Deze vakbond kwam op voor de rechten van de arbeiders.

De kinderarbeid

De kinderarbeid was verschrikkelijk. Kinderen van nauwelijks 6 à 7 jaar werden door hun vader slaapdronken naar de werkplaats gebracht. Daar moesten ze een hele dag hard werken om dan ’s avonds weer doodmoe door vader naar huis gebracht te worden. Het ligt voor de hand dat de kindersterfte zeer groot was. In 1853 stierf de helft van de kinderen voor hun 15 jaar!!!!!
De staking waar het daarstraks over ging, was het begin van een lange strijd voor een menswaardig bestaan.

De voeding

De zware arbeid werd enkele keren per dag onderbroken voor het zogenaamde “schaften”. Dit is een korte eetpauze. In de voormiddag was dat rond 09u00, in de namiddag rond 16u00. Om klokslag 12u00 nam men de hoofdmaaltijd. Die bestond uit een stuk brood met wat vet of margarine. Men dronk daarbij wat chicorei( dat was een soort slappe koffie). Nadat de kinderarbeid afgeschaft was, werden de kinderen vroeg in de morgen op pad gestuurd om brood en ‘koffie’ te brengen. het werkende gezin kwam ’s avonds pas thuis tussen 21u00 en 22u00. Moeder was dan reeds wat vroeger naar huis vertrokken om alvast te koken. Het afgepeigerde gezin werkte de “stoemp” (aardappelpuree met groenten, meestal wortelen of kool, met ajuinsaus) zonder vlees (dat was te duur) snel naar binnen en gingen dan meteen naar bed. Vrije tijd voor de kinderen was onbestaande.

De huisvesting

De huisvesting van de arbeiders was een geval apart. Dikwijls waren de huizen de naam woning onwaardig. De steenbakkerijbazen bouwden tussen de steenbakkerijen goedkope kleine huisjes met slechte verlichting, verluchting en slechts één gootsteen.

Aan deze wasbak moest men wassen, afwassen en zichzelf wassen. De lager gelegen huizen overstroomde dikwijls door de Rupel. Riolering en deftige straten waren er niet. De huisjes waren 3 m breed en hadden een klein venstertje. Binnenin was er een woonkamer en onder het lage dak 2 slaapruimten met piepkleine dakvenstertjes. In deze woningen moesten vaak erg grote gezinnen met z’n allen slapen. Keuze was er niet: wou men op de steenbakkerij werken, dan werd je verplicht om in een huisje van de patroon te wonen. De huurprijs bedroeg in 1913 net 9 frank (€ 0,24). Dat was in die tijd erg veel geld.

De terugval

In de jaren ’60 kwam er stilaan concurrentie van andere bouwmaterialen, zoals beton. De aanmaak van bakstenen gebeurde meer en meer met machines. Maar voor de vele kleine baksteenfabrikanten waren die investeringen te duur. Gevolg; zij moesten hun deuren sluiten of gingen failliet. Vele schouwen werden gedynamiteerd, waardoor ze als kaartenhuisjes in mekaar stortten. Vandaag de dag zijn er nog maar een paar steenbakkerijen in werking.

Toerisme

De Rupelstreek heeft nadien moeilijke tijden moeten doorstaan. Vandaag de dag kan je het zware werkverleden nog opsnuiven in heel wat musea. De oude kleiputten hebben allang een andere bestemming gekregen: woonwijk, visputten, recreatiedomein…en soms een stortplaats. De geschiedenis van de Rupelstreek werd door Willy Vandersteen prachtig weergegeven in het volgende stripalbum van Suske & Wiske.

Wil je Rupelstreek bezoeken? Dat kan hoor. De links hieronder kunnen je alvast helpen!!

  • Website van de gemeente Boom

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *