Trekker

Inleiding

Mijn eerste woordje wat ik kon zeggen was “tekker”. Ik vond toen de trekker al heel erg leuk en interessant. Ik zat toen al heel vaak bij opa op de trekker. En nu ook nog wel maar het meest rij ik alleen. Vroeger zat ik aan alle knopjes en hendeltjes van de trekker en probeerde ik wat er gebeurde als ik op een knopje drukte of aan een hendeltje trok. Toen wilde ik al graag weten hoe alles werkte.

Langzamerhand kwam ik erachter hoe alles precies ging en toen ik oud genoeg was mocht ik zelf trekker rijden. De eerste keer ging het wel een beetje mis. Ik reed n.l. met de trekker dwars door het prikkeldraad. Ik was erg geschrokken want de pinken konden zo uit het weiland lopen. Dus ik heb gauw m’n opa geroepen. Die heeft het draad weer gemaakt. Gelukkig gaat het tegenwoordig een stuk beter met het trekker rijden van mij…

De Trekker en het paard

Moet je eens kijken zeg, die trekker en dat werkpaard. Wie denk dat het uiteindelijk zal winnen ? Hoe erg het paard ook zijn best doet, de trekker zal het uiteindelijk altijd winnen. Hij kan het trekken veel langer volhouden. In deze spreekbeurt heb ik het over trekkers en niet over tractors. De boeren noemen het namelijk ook trekkers. Vroeger werkten de boeren met paarden op het land. Vaak trokken die paarden een machine bijvoorbeeld een ploeg. Wanneer het werk heel zwaar was stonden er wel vier of meer paarden tegelijk voor een machine. Na de tweede wereldoorlog (dus na 1945) namen de trekkers steeds vaker de plaats in van paarden.

Nu zie je nog maar zelden een paard op het land werken een trekker doet het werk veel sneller een ander voordeel van de trekker is dat hij allerlei machines kan aandrijven de machine wordt dan achter de trekker gekoppeld. De motor van de trekker laat bepaalde delen van die machine bewegen.

Bij een kunstmeststrooier worden bij voorbeeld een bewegende pijp de korrels weg geslingerd; in de grasmaaier laat de trekker de messen snel ronddraaien waardoor het gras in de wei wordt afgemaaid; bij de machine die aardappelen rooit, rollen de knollen over draaiende banden die door de trekker in beweging worden gebracht. Bij de zode- bemester, die mest onder de grasmat laat vloeien (dat is goed voor het milieu) regelt de trekkermotor de meststroom.

Al snel merkten de boeren dat een trekker, net als een werkpaard, goed moet worden verzorgd. Een paard moet je goed voeren en de trekker moet dieselolie (een soort benzine) en smeerolie binnen krijgen. Bij slecht weer gaat een paard op stal (om geen kou te vatten), een trekker gaat in de schuur om niet te roesten). Natuurlijk moet de boer bij allebei om zijn eigen veiligheid denken: een paard kan je op je tenen gaan staan, bijten of een mep met zijn straat verkopen en een trekker kan omvallen, bijvoorbeeld van een dijk. Voor de veiligheid van de bestuurder is daarom een cabine of een beugel over de zitplaats verplicht. Hiervoor heb ik al verteld dat er bij een trekker of een machine achter de trekker vaak onderdelen zijn die draaien. Er is een wet waarin staat dat deze goed afgeschermd moeten zijn. De boer let goed op dat hij niet met zijn vingers of zijn kleren tussen de onderdelen komt.

Trekkers van tegenwoordig

De trekkers van tegenwoordig hebben een veel luxere uitvoering dan vroeger. Vroeger had de trekker nog geen hydrauliek dus het sturen ging veel zwaarder.

Ze waren zwaarder om te bedienen. Het ging allemaal met trekhendels. Alleen de aftakas hielp hen mee. Nu zit er wel hydrauliek op de machines. Heel vroeger hielp een soort rubberen band de boer om machines aan te drijven. Die rubberen band draaide om een wiel dat aan de trekker zat. Die band zat aan de trekker en aan de machine vastgemaakt. Zo zet je (bijvoorbeeld) een dorsmachine in werking. De machines van tegenwoordig zijn erg groot en erg duur. De meeste worden bovendien maar een paar dagen per jaar gebruikt. De rest van de tijd staan ze in de schuur. Veel boeren schaffen daarom niet alle machines zelf aan, maar huren een loonwerker in. Die komt voor geld het werk doen voor de boer. Vaak heeft een loonwerker zelf ook een boerderij. Vooral akkerbouwers en veehouders maken gebruik van de loonwerker. Maar ook bijvoorbeeld bloembollentelers en groentetelers doen dat.

Loonwerkers hebben allerlei soorten machines, werktuigen en trekkers. De trekkers van een loonwerker zijn vaak erg zwaar omdat ze grote machines moeten trekken en in werking moeten brengen bijvoorbeeld sloten schoonmaker, zaaimachines, zodenbemesters.
De boer krijgt er hulpjes bij op de boerderij: satellieten. Die satellieten zorgen voor gegevens die de boer nodig heeft om heel nauwkeurig zijn werk te kunnen doen. Satellieten helpen ook bij het verzamelen van informatie voor de computer. Het systeem wordt nog verder uitgewerkt en in de praktijk onderzocht. Het werkt als volgt. Op de trekker wordt een zogeheten DGPS-ontvanger geïnstalleerd. Dit is een apparaat dat lijkt op een navigatiesysteem dat tegenwoordig soms in auto’s wordt gebruikt om de route te bepalen. In de luchtvaart en scheepvaart wordt het al veel langer gebruikt. De ontvanger krijgt signalen van drie of vier satellieten en van een zender op de grond. Hiermee wordt de plaats van de trekker op de akker tot op de vierkante meter precies bepaald. Tijdens het ploegen verzamelen gevoelige metertjes (sensoren worden die genoemd) allerlei gegevens over de bodem . Die metertjes zitten vast aan de ploeg. Op die manier worden telkens kleine stukjes land nauwkeurig in kaart gebracht. Die informatie wordt samen met de gegevens over de plaats van de trekker opgeslagen op een chipkaart in een computer in die trekker. De chipkaart wordt later gelezen door de computer op de boerderij In de computer zitten ook andere gegevens over de akker, zoals de hoeveelheid voedingsstoffen die in de boden zitten in het voorjaar, wanneer de boer zijn land gaat bemesten, rekent de computer precies uit hoeveel mest er op elk stukje moet worden gestrooid deze gegevens worden vervolgens weer met een chipkaart in de computer van de trekker opgeslagen op de mestinjecteur of de kunstmeststrooier zit regelapparatuur die reageert op de opdracht die de computer geeft. De computer bepaalt op dezelfde wijze ook hoe diep de aardappelen moeten worden gepoot. Behalve de ploeg,de mestinjecteur,de kunstmeststrooier en de aardappelpootmachine, zijn ook andere machines voorzien van meetapparatuur. Op de maaidorser en de bietenrooier wordt bijgehouden hoeveel er op welk deel van de akker wordt geoogst . Met een handcomputer met DGPS-ontvanger kan de boer bijhouden waar zieke planten staan die gegevens gebruikt hij voor het werken met spuitmachine,zodat alleen daar met gewasbeschermingsmiddelen wordt gespoten waar dat perse nodig is. Dankzij de satellieten krijgt de boer het bij het werk op het land stukken gemakkelijker maar wat nog belangrijker is: hij kan daardoor nog nauwkeuriger bemesten en bespuiten en dus milieuvriendelijker werken.

 

2 Responses to “Trekker”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *